Anneke Jansen werkt als POH-GGZ jeugd voor zes huisartsen in Den Ham en Vroomshoop. Ze helpt kinderen, jongeren en hun ouders bij problemen en zorgt dat ze op de juiste plek terechtkomen. Samen met praktijkhoudend huisarts Pien Pouwels vertelt ze over haar rol.
‘Je moet even bij Anneke zijn.’ Het is een advies dat zomaar op het schoolplein of langs het voetbalveld in Den Ham gegeven kan worden. Want na zes jaar kennen veel gezinnen Anneke Jansen en weten ze waarvoor ze bij haar terechtkunnen. “Door die bekendheid en toegankelijkheid komen problemen vaker bij ons terecht voordat ze escaleren en er een langer behandeltraject nodig is”, vertelt huisarts Pien Pouwels.
Black box
Zo’n zes jaar geleden is Jansen als POH-GGZ jeugd geïntroduceerd in de huisartsenzorg in Den Ham en Vroomshoop. Ze ondersteunt vanuit meerdere praktijken kinderen tot 18 jaar en hun ouders die worstelen met uiteenlopende uitdagingen: onzekerheid, problemen met het zelfbeeld en emotieregulatie, gedragsproblemen op school, een scheiding of ziekte binnen het gezin.
Daarmee is ze van grote waarde voor de gezinnen én voor de huisartsen. “Voordat Anneke begon, was de jeugdzorg toch een beetje een black box”, zegt huisarts Pouwels. “We hadden minder zicht op de hulp die werd geboden, omdat de jeugdzorg de verantwoordelijkheid is van de gemeente en voor ons de structuren niet altijd duidelijk zijn. Er gebeurde van alles via scholen, orthopedagogen en andere organisaties. Maar wij wisten vaak niet welke trajecten er liepen, wat er in het verleden was gebeurd en waarvoor iemand precies hulp kreeg.”
De weg weten
Anneke onderhoudt korte lijnen met onder andere jeugdconsulenten, maatschappelijk werk, scholen en zorginstellingen. En ze werkt nauw samen met de huisartsen. Bij ingewikkelde situaties kunnen Pien en Anneke bijvoorbeeld een patiënt samen spreken en relevante informatie met elkaar delen.
“Stel dat een moeder met spanningshoofdpijn bij mij komt”, zegt Pouwels. “Dan kan het belangrijk zijn om te weten dat het met haar kind helemaal niet goed gaat. Voorheen wist ik dat soms niet eens. Andersom kan een probleem bij een ouder natuurlijk ook invloed hebben op een kind.”
Gids in GGZ-landschap
Jansen fungeert dus als een soort gids in het GGZ-landschap, voor zowel de gezinnen als de huisartsen. “Ik zit in de vroege fase”, legt Jansen uit. “Soms kan ik zelf al iets betekenen, soms is een verwijzing nodig. Dat kan naar de basis-GGZ zijn, maar bij complexere problemen ook naar de specialistische jeugd-GGZ. Daardoor zitten meer kinderen en jongeren sneller op de juiste plek. Vroeger gebeurde het bijvoorbeeld weleens dat een kind werd doorgestuurd voor een ADHD-onderzoek, op een lange wachtlijst terechtkwam en later bleek dat die plek helemaal niet passend was. Dan werd je van het kastje naar de muur gestuurd.”
Een duwtje in de goede richting
Lang niet iedere jongere heeft een uitgebreid behandeltraject nodig. Soms zijn een aantal gesprekken, psycho-educatie of het normaliseren van gevoelens voldoende. “Je kunt soms met relatief weinig al veel bereiken”, zegt Jansen. “Mijn bedoeling is ook niet om kinderen lang te begeleiden. Ik zie mezelf als een passant. Iemand komt hier met een reden en samen kijken we wat nodig is. Daarna hoop ik ook weer afscheid te nemen, omdat iemand zelf verder kan of omdat er een goede vervolgstap is gezet.”
Complexere problemen
Tegelijkertijd hebben Jansen en Pouwels wel het gevoel dat de problematiek onder jongeren complexer wordt. Er zijn dan bijvoorbeeld zorgen over thuis, school, drugs- en alcoholgebruik en verkeerde vrienden. “Dan kun je niet altijd direct een oplossing bieden door de wachtlijsten in de jeugd-GGZ”, zegt Jansen. “Dan zoeken we naar manieren om die periode te overbruggen en betrokken te blijven. Maar dat kan best lastig zijn.”
Daarnaast zien ze de laatste jaren nog een ontwikkeling: vooral bij jongeren tussen de 13 en 18 jaar komen vragen over sociale contacten, zelfbeeld en prestatiedruk regelmatig terug. Jansen: “Wie ben ik? Mag ik zijn wie ik ben? Is er wel een plek voor mij in de wereld?”
Maatschappelijke verandering
Dat heeft ook te maken met een bredere maatschappelijke verandering, vermoeden ze. “Mensen vragen eerder hulp”, zegt Pouwels. “Twintig jaar geleden werd bij een sterfgeval misschien sneller gezegd: dat hoort bij het leven. Nu is er meer aandacht voor wat iets met iemand doet. Daar zit geen waardeoordeel aan, maar de maatschappij is veranderd en daarmee ook de zorgvraag.”
En voor een goed antwoord op die veranderende zorgvraag speelt een POH-GGZ jeugd zoals Jansen een belangrijke rol, merkt zij ook aan de reacties die ze weleens krijgt. “Ik krijg weleens een kaartje of appje van iemand die zegt: Anneke, je hebt een verschil gemaakt in mijn leven. Soms van iemand die het heel zwart heeft gezien. Dat is natuurlijk heel mooi om te lezen.”

